De illusoire dialoog

Diplomatieke en juridische instrumenten zijn te allen tijde nuttige middelen om belangrijke onderwerpen zoals mensenrechtensituatie in Iran aan de orde te stellen.

Door Shahin Nasiri en Pejman Salim

Controversieel bezoekje
Onlangs heeft het inmiddels afgelaste werkbezoek van het hoofd van de Iraanse staatsmedia (IRIB), Ezatollah Zarghami, aan het gebouw van Beeld en Geluid voor controverse in de Nederlandse publieke opinie gezorgd. Uit interne correspondentie van de NPO blijkt dat de directie van de NPO en NOS de president van IRIB en de Iraanse ambassadeur persoonlijk zouden ontvangen.[1] Het kan de NOS en NPO niet ontgaan zijn dat IRIB sinds de omstreden verkiezingen van juni 2009 een journalistiek en democratisch kwalijke lijn volgt. Door uitzending van schijnprocessen, door marteling verkregen bekentenissen en eenzijdige berichtgeving heeft IRIB direct bijgedragen aan de onderdrukking van de Iraanse burgers.

 De publieke omroep motiveerde aanvankelijk dat zij voor dit bezoek educatieve doeleinden op het oog had. De omroeporganisaties wilden aan de Iraanse delegatie laten zien hoe men onafhankelijk nieuws kon maken. Door een vriendelijke dialoog zou IRIB zich richting betere journalistiek begeven. Gezien het feit dat de Iraanse Staatsmedia als de enige toegestane visuele media in Iran een totaal andere functie vervullen dan wat in het Westen gebruikelijk is, blijft het zeer twijfelachtig of de Iraanse collega’s met dezelfde onschuldige intentie dit bezoek wilden afronden.

Op basis van deze feitenstelling zijn de belangenorganisaties van de Perzische gemeenschap tot actie gekomen en hebben aangekondigd tegen dit werkbezoek te zullen protesteren. Bovendien hebben de Nederlandse parlementariërs hun zorgen en bezwaren tegen dit bezoek uitgesproken. Mede door deze reacties is het Publieke Omroep bij nader inzien ertoe bewogen om het bezoek te schrappen.

Legitimiteitscrisis
Het geschetste incident brengt het bekende dilemma tussen isolement en dialoog aan het oppervlak. Is een dialoog met het Iraanse staatsapparaat effectief en zelfs mogelijk? Kan een verzoeningspolitiek tegenover Iran een bijdrage leveren aan democratie en mensenrechtensituatie in Iran enerzijds en bevorderen van stabiliteit en veiligheid op internationaal niveau anderzijds?

Het staat buiten kijf dat het machtsevenwicht tussen Iraanse autoriteiten en de bevolking na de massale protesten van afgelopen jaar onomkeerbaar is verstoord. Sindsdien is het Iraanse regime beland in een diepgaande legitimiteitscrisis en kan haar wil niet meer zonder geweld afdwingen. Op internationaal niveau heeft het nucleaire miljardenprogramma van het regime het land sterk geïsoleerd. Met gebrek aan interne en externe geloofwaardigheid en de versterkte sancties door de internationale gemeenschap, zet de Iraanse staat onderhuidse middelen in om zich diplomatiek levende te houden. In deze context doen alle aanwijzingen vermoeden dat het regime in Iran verschillende Instrumenten inschakelt, waaronder lobbywerk, semi-diplomatieke bezoekjes en propaganda-activiteiten, om haar zwaar beschadigde imago op te poetsen. Het werkbezoek van de Iraanse delegatie aan Nederlandse omroeporganisaties behoort immers tot één van deze activiteiten.

 Het kenmerkende aan deze activiteiten is dat ze onder het motto van “dialoog” en “engagement” met het Westen plaatsvinden. Uiteraard kan dialoog binnen het politieke discours te allen tijde voor wederzijds begrip bevorderlijk zijn. Echter kan oprechte dialoog alleen ontstaan wanneer de betrokken partijen ervan uitgaan dat zij niet de gehele waarheid bezitten en er sprake is van principiële bereidwilligheid. De partijen dienen elkaar te erkennen en de grenzen van het internationaal recht als uitgangspunt te respecteren.

In tegenstelling tot deze grondgedachte hanteert het Iraanse regime weerbarstige maatstaven. De regeringsfunctionarissen roepen om dialoog met het Westen terwijl ze naar binnen toe hetzelfde Westen beschuldigen van alle civiele onrust Iran en Midden-Oosten, als even niet van universele ketterij. In die sfeer zijn mensenrechtenverdedigers, oppositiegroepen, journalisten en zelfs bloggers en Facebook gebruikers gemakkelijk voor verraders uit te maken. Sterker nog, ze worden beschuldigd van spionage voor de westerse en (pro)zionistische staten. Deze overtuiging over de ‘heidense’ en ‘machtlustige’ Westen komt voort uit de fundamentele grondslagen van de Islamitische Revolutie. Iran heeft in haar diplomatieke geschiedenis nauwelijks blijk gegeven van goede trouw in het nakomen van haar afspraken en het respecteren van de normen van het internationale recht. Dit geldt zowel voor veiligheidskwesties als haar plicht om mensenrechten te respecteren. Het is daarom in beginsel al onwaarschijnlijk dat Iran met deze zowel ideologisch als fundamentalistische beginselen een constructieve dialoog met het westen wil. Derhalve behoren de Europese instanties niet uit het oog te verliezen dat  de dictators in Iran slechts van allerlei kredietgevende bezoekjes met het westen en reeks andere propaganda-activiteiten misbruik weten te maken om hun intern wankelende positie te restaureren.

Politieke wil
Het feit dat de voorafgaande overwegingen tot de conclusie leiden dat een constructieve dialoog met Iran ondoenlijk blijkt te zijn, betekent nog niet dat de westerse beleidmakers blindelings het beleid van diplomatiek isolement zouden moeten toepassen. Integendeel, Diplomatieke en juridische instrumenten zijn te allen tijde nuttige middelen om belangrijke onderwerpen zoals mensenrechtensituatie in Iran aan de orde te stellen.

Uit de resultaten van de specifieke PartijWijzer [2]over Iran die in de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen was gepubliceerd, blijkt dat een meerderheid van de Tweede Kamer, in het bijzonder de regerende partijen, er belang aan hecht de mensenrechtencasus bij diplomatieke aangelegenheden met Iran op nummer één van de lijst te zetten. De partijen tonen zich zelfs welwillend instanties (bijv. IRIB) en personen (bijv. het hoofd van IRIB, Zarghami) sancties op te leggen die een hoofdrol hebben gehad in het neerslaan van de volksprotesten. Deze politieke wil dient zich echter nog te weerkaatsen binnen de horizon van de politieke praxis. Om deze politieke wil te realiseren dient dus het beschermen van mensenrechten bij alle betrekkingen met Iran de leidraad van het Nederlands internationaal beleid te vormen.

 Juist in dit cruciale tijdbestek doet Europa er zowel vanuit strategisch als principieel oogpunt verstandig aan om in plaats van het nastreven van een illusoire dialoog, met diens desastreuze gevolgen voor de democratische grassroots bewegingen in Iran, de partij van het Iraanse volk te kiezen.

Shahin Nasiri  en Pejman Salim zijn respectievelijk voorzitter en bestuurslid van Iranian Progressive Youth


[1] Zie hievoor: Keunen, M. (2 juli 2010), Hilversum schrapt onder druk bezoek staats-tv Iran”, NRC Handelsblad, voorpagina

[2] Zie hiervoor: Iranian Progressive Youth;  “PartijWijzer Iran 2010”,  http://www.iranpy.net/partijwijzer/ (juni 2010)

Tags: , ,

RSS 2.0 feed. Reply to post, or trackback.

Related Posts

No related posts.

Leave a Reply